As ge de kriebels nie vuult…

As ge de kriebels nie vuult…

As ge de kriebels nie vuult…

dur Tummuske, de PreZident

Zo gauw het nieuwe jaar was ingedronken, ging het al een bietje zinderen in de kroeg van Willem en Dientje. Hun kroegske Willy’s Bonte Palet in de Hinthamerstraat in Oeteldonk was al vele jaren m’n stamcafeeke waar een uiterst gemêleerd gezelschap dagelijks het reilen en zeilen van onze maatschappij onder de loep nam en waar alle oplossingen der problemen in ras tempo onder het genot van menige pint werden opgelost.

Al het genot en het verdriet op dees aardkloot kreeg de verdiende aandacht. De genoten pinten werden nog in streepkes omgezet op ’n blaadje van ’n dikke kladbloc. Aan de bar werd gebuurt, gekaart, gezongen of voor zich heen gestaard. Als er vijftien man binnen was, was ’t er al druk. Gewoon een kroegske zoals ’n kroegske in de schaduw van onze ouwe Sint-Jan moest zijn.

Kunstschilder en glazenier Willem, na de oorlog uit Amsterdam vertrokken, nog gevochten in de Spaanse burgeroorlog, was in Oeteldonk komen aanwaaien waar hij z’n Dientje had ontmoet. Dientje werkte in de horeca, zodoende hun voorliefde voor een café. Eigenlijk was deze pijpelaar de eerste bar in Oeteldonk, maar voor ons was het gewoon ”zullen we er eentje pakken bij Willy”.

Zoals reeds gezegd: na Nieuwjaar begon de ambiance in Willy’s Bonte Palet te veranderen. Niet ineens, maar men voelde dat er iets in de lucht zat. Op een leike, scheef hangend aan de muur en waarop anders te lezen was dat Dientje weer een ketel goulashsoep had klaargemakt en ’n kupke soep voor ’n gulden te krijgen was, stond met dikke krijtletters geschreven: ”Nog 20 keren de vuilnisbak buiten zetten!” Iedereen begreep. Als Willem in de middag om twee uur de trap afkwam, het schuifdeurke van de bar opendeed, nam hij eerst een hoeveelheid kleurrijke pillekes in die met Franse cognac werden weggewerkt, pillekes veur de maag, de lever, de bloeddruk, de bloedsomloop en nog meer van die enge verschijnselen,om dan naar de platenzaak te schuifelen en muziek uitzocht die hij goed vond voor dat merkwaardige volksfist carnaval.

Met ’n stapel langspeelplaten kwam ie terug. Diverse geschikte sfeernummers, ook klassieke nummers werden niet geschuwd, zette hij over op de smalle band van de bandrecorder. Muziek voor elk uur en voor elk oor. Zoetjesaan, dag na dag, werd de sfeermuziek opgevoerd. Dan verscheen er ineens een subtiel maskertje of een tekening achter de bar dat ons opmerkzaam deed maken van het naderend driedaagse feest. De kriebels begonnen te komen.

Hier en daar verscheen er tegen een gevel de driekleur van Oeteldonk en de grote bloempot op de bar van Willem vertoonde bloemen in de kleuren rood, wit en geel. Als Willem ook wat versiering aanbracht en er tegen het grote raam aan de straatzijde een stevige plank werd getimmerd, veur Willem was dat ’n verbouwing, waren dat de tekenen dat het al gauw stond te gebeuren. Er kon zomaar op een zaterdagmiddag of op een doordeweekse avond een kapelleke aanwaaien. Men had ergens gerepeteerd. Leden van de Oeteldonkse Club en van het Bosch mannenkoor gingen met elkaar in gesprek over het Oetelconcert. ”En hadde al die versierde gevel van die en die gezien… en hedde geheurd waor ze de wagens nou gaon bouwen en ge komt toch zeker ok naar de intocht. Wè zal de plebaan nou wir te kletsen hebben bij de carnavalsmis…” En zo ging het dag na dag door. Steeds meer stamgasten verschenen met de carnavalsdas om ut nekske. ”As ut met de optocht mar dreug is!”

Carnaval pruttelde, neen, begon te koken. Een aangewaaide mens van boven de rivieren begreep er niks van. Natuurlijk zat ie vol veuroordelen! Maar daar maakten we ons niet meer druk over. Veur ons mocht de brug over de Maas met carnaval omhoog!
Niemand van de gasten was in de periode vlak voor carnaval ziek. Bij de drogisterij was van alles al gehaald en menigeen had een middeltje van uit grootmoeders tijd om de groep te voorkomen. ”Och jongens”, verzuchtte Willem, ”as ge ut nie vuult kriebelen, dan zulde dit fist nooit begrijpen. We vatten er nog een van mijn, moeder!”